Het orgel |
Bron: Koninklijke instrumenten rond de Peperbus, Publicaties van IJsselacademie nr. 145PlantagekerkHet kerkgebouwBouwjaar: 1874Architectuur: eclectisch/neo-renaissance Adres: Ter Pelkwijkstraat 17 Deze typisch 19de-eeuwse kerk is sinds 1 juli 1952 eigendom van de Vrijgemaakte Gereformeerde Kerk. Toen in 1869 de afgescheidenen en de gereformeerden samengingen was de kerk aan de Nieuwstraat te klein om de verenigde gemeente te huisvesten. Er moest een nieuw kerkgebouw komen. In de kerkeraadsvergadering van 29 december 1873 werden daarop schetsen bekeken van verschillende kerkgebouwen. Die van de hervormde kerk te Voorschoten spraken het meeste aan. Architect J.W. Bosboom sr. gebruikte dit ontwerp als basis voor de bouw van een nieuwe kerk, maar aarzelde niet hier en daar af te wijken van dit voorbeeld. Van de gemeente Zwolle had men in 1874 een stuk grond gekocht op een gesaneerd deel van de oude stadswal en het pas aangelegde Ter Pelkwijkpark. Op 23 maart 1874 werden bestek en tekeningen van de nieuwe kerk met 1.100 zitplaatsen door de kerkeraad goedgekeurd en het volgende jaar werd het nieuwbouwplan aanbesteed bij G. Schutte te Zwolle. Op 2 juli 1875 legde ds. W.H. Gispen de eerste steen en medio september was bij de oprichting van een torentje het hoogste punt bereikt. Het zou echter om bouwkundige redenen in 1911 weer moeten afgebroken. Toen de aannemer in 1875 het bouwterrein verliet, stond er een symmetrisch opgezet gebouw in eclectische en neo-renaissancistische vormen. Nadat het gebouw in 1991 als monument was aangewezen, kregen de Zwolse architecten Nijhof en Haasjes de opdracht een restauratieplan te maken. In september 1992 volgde de aanbesteding. Onder het gebouw werd en een kelder gemaakt voor de vergaderzalen. De kerkvloer kwam door deze ingreep 40 cm hoger te liggen dan vroeger. Onder de vloer werd vloerverwarming aangebracht en vervolgens bedekt met Dolomietvloertegels. Aan de kerkinrichting veranderde ook het een en ander: de oorspronkelijke banken kwamen in een andere opstelling te staan en de oude preekstoel keerde niet terug, maar in haar plaats werd er een kansel opgesteld, afkomstig uit de hervormde kerk te Gouderak (en daarvoor te Hoorn). Het onderstuk van de oude preekstoel werd als basis gebruikt voor het door Anneke Goldsteen ontworpen doopvont. De koperen kronen werden na renovatie teruggehangen. Door een lift en hellingbanen zijn de ruimten ook voor mindervaliden goed toegankelijk. De oplevering vond plaats op 25 februari 1994 en op 8 april volgde de officiële opening. Het orgelBouwer: onbekendOplevering: voor 1842 Aan de Nieuwstraat werd de gemeentezang door een voorzanger geleid, totdat ds. Barend Fijnebuik de gemeente in 1847 een orgel schonk. De bouwer van het orgel is niet bekend. Georg Frederick Izaak Prins maakte het instrument klaar voor gebruik in de dienst voor f 150. Begin 1848 werden wat kleine herstelwerkzaamheden aan het orgel verricht; het kasboek vermeldt uitgaven voor de 24 nieuwe pijpen en lofwerk. In 1865 was het instrument in zo’n belabberde staat dat Jan Bosch de kerkeraad per brief meedeelde zijn functie van organist daardoor niet langer te kunnen uitoefenen. De kerkenraad beloofde er iets aan te zullen laten doen. De Zwolse orgelmaker Jan van Loo kreeg na tussenkomst van de eind 1865 ingestelde orgelcommissie opdracht dit karwei uit te voeren; kosten 1.120 gulden. In september 1866 waren de werkzaamheden aan het orgel afgerond. Op voorstel van Van Loo nam men een jaar later het besluit het orgel ieder jaar een stembeurt te geven. Na ingewonnen advies van de in Deventer woonachtige orgelmaker Hermanus Gerhardus Holtgrave werd het gereviseerde orgel in 1875 door hem ongewijzigd overgeplaatst naar de nieuwe kerk aan de Ter Pelkwijkstraat. Door de Kamper “orgelfabrikant” Jan Proper werden in 1894 werkzaamheden aan het orgel uitgevoerd. Deze betroffen in hoofdzaak het herstellen van de blaasbalg, het veranderen en verbeteren van de Trompet 8’ en de Viola di Gamba 4’, en uitvoering van een stembeurt. Twee jaar later breidde hij het orgel uit met een tweede manuaal en voorzag het van de volgende registers: Viola di Gamba 8’ (van het Hoofdwerk), Melofoon 8’, Fluit Dolce 8’ en Celeste 8’. In 1936 diende de orgelcommissie een restauratieplan in bij de kerkeraad. De commissie was van oordeel dat het orgel het beste omgebouwd zou kunnen worden naar een pneumatisch systeem met krimpvrije windladen. De Rotterdamse orgelbouwer Valckx & Van Kouteren voerde de bepleite veranderingen uit. Het orgel werd voorzien van pneumatische tractuur met de daarbij behorende speelhulpen, het kreeg vaste registercombinaties, een automatische pedaalomschakeling, superkoppel en subbaskoppel. Daarnaast werd het Hoofdwerk uitgebreid met een Cornet IV, en het Nevenwerk met een Salicionaal 4’, Roerfluit 4’ en Basson Hobo 8’. Het aangehangen Pedaal werd vrijgemaakt van het Hoofdwerk en uitgebreid met een Subbas 16’, Bourdon 16’ en Gedekt 8’ (beide transmissies van het Hoofdwerk). Verder werden de volgende veranderingen aangebracht: herplaatsing van de Celeste 8’ met 24 nieuwe pijpen in de bas als Gamba 8’ en verandering van de (ouder) Viola di Gamba 8’ in een Voix Celeste 8’ in zwevende stemming met de Gamba’. Tenslotte werden de 12 ontbrekende tonen van de Melofoon 8’ per transmissie uit de Gamba 8’ gehaald. De heer R. Kamp was als adviseur bij deze restauratie betrokken. Op 30 augustus 1938 kon met het orgel voor het eerst na de restauratie weer een kerkdienst worden begeleid. In 1952 werd de dispositie van het Bovenwerk door Valckx & Van Kouteren op advies van Feike Asma gewijzigd. De Voix Celeste 8’ werd versneden tot een Quint 2 2/3’, de Salicionaal 4’ tot een Prestant 2’ en de Gamba 8’ tot een Terts 1 3/5’. De transmissie van de Bourdon 16’ werd vervangen door een transmissie van de Prestant 8’ van het Hoofdwerk. Het zouden de laatste wijzigingen zijn die aan het instrument werden uitgevoerd voordat de rigoureuze verbouwing in de jaren negentig plaatshad. Die verbouwing was nodig geworden doordat zijn klank in de inmiddels gerenoveerde kerk minder warm klonk dan in de oude situaties. Hendriksen & Reitsma uit Nunspeet kreeg opdracht een plan te maken voor herstel en reconstructie van het orgel met zoveel mogelijk behoud van de oude klank en met de uitdrukkelijke wens nieuw pijpwerk te laten aansluiten op het bestaande. In 1996 bouwden de Nunspeetse orgelbouwers, weliswaar met gebruikmaking van de bestaande kas en het aanwezige pijpwerk, nagenoeg een ‘nieuw’ instrument. Van de oude Melofoon 8’ (1896, Proper) en het groot octaaf van de Roerfluit 8’ (1896, Proper) werd een Salicionaal 8’ gemaakt. De nieuwe Roerfluit 8’ maakte men van twaalf oude pijpen en 42 nieuwe. De bestaande Mixtuur III-IV werd uitgebreid met een nieuw koor. Het tweede manuaal werd als Bovenwerk uitgevoerd en geplaatst in een zwelkast. De Holpijp 8’ werd gemaakt van aanwezig pijpwerk van manuaal I, de twaalf grootste pijpen werden afgeleid uit de Prestant 8’. De Viola di Gamba 8’ werd nieuw gemaakt, met uitzondering van de twaalf grootste pijpen, die eveneens zijn afgeleid uit de Prestant 8. De rest van de pijpen op het Hoofdwerk is nieuw. Het Pedaal kreeg een uitbreiding met een Octaaf 4’ en een tongwerkkoor, bestaande uit een Bazuin 16’, Trompet 8’ en een Klaroen 4’. De Octaaf 4’ is afkomstig uit een Verschueren-orgel in de Sionskerk te Hengelo, de Trompet 8’ uit een Hendriksen & Reitsma-orgel in de gereformeerde kerk te Den Ham en de Klaroen 4’ is gemaakt ui de oude Trompet 8’ van het Hoofdwerk. De kas De orgelgaanderij is in 1884 door S.J.H. Trooster ontworpen in neo-renaissancestijl. Het orgel staat tussen gecanneleerde zuilen opgesteld als een balustrade-instrument. De eikenhouten kas dateert uit de 18de eeuw en is bruin gelakt. De kas achter het front is gemaakt van grenenhout. Op de kas staan drie beelden: op de middentoren een in hout uitgevoerde zittende David, spelend op een harp, en elk der beide zijtorens heeft een bazuin spelende engel. Het blinderingsnijwerk aan de torens is in bladmotief gesneden. Het lofwerk is belegd met bladgoud. In de vleugelstukken zijn muziek-instrumenten gesneden, aan de linkerzijde een hobo en een klarinet, aan de rechterzijde een natuurhoorn en een viool. Technische gegevens Werkindeling: Hoofdwerk, Bovenwerk en Pedaal Hoofdwerk Prestant 8’ (voor 1842, onbekend) Bourdon 16’ (voor 1842, onbekend) Salicionaal 8’ (1896, P) Roerfluit 8’ (1996, H&R) Octaaf 4’ (voor 1842, onbekend) Fluit 4’ (voor 1842, onbekend) Quint 2 2/3’ (voor 1842, onbekend) Octaaf 2’ (voor 1842, onbekend) Cornet IV (1938, V&K) Mixtuur IV-V (voor 1842, onbekend) Trompet (bas/discant) 8’ (1996, H&R) Bovenwerk Prestant 8’ (1996, H&R) Holpijp 8’ (voor 1842, onbekend) Viola di Gamba 8’ (1996, H&R) Prestant 4’ (1996, H&R) Roerfluit 4’ (1938, V&K) Quintfluit 2 2/3’ (1996, H&R) Woudfluit 2’ (1996, H&R) Sesquialter I-II (1996, H&R) Ruispijp II (1996, H&R) Dulciaan 8’ (1996, H&R) Pedaal Subbas 16’ (voor 1842, onbekend) Octaaf 8’ (1996, H&R) Gedekt 8’ (1996, H&R) Octaaf 4’ (1996, H&R) Bazuin 16’ (1996, H&R) Trompet 8’ (1996, H&R) Klaroen 4’ (1896, P) Werktuiglijke registers Koppelingen Hoofdwerk-Bovenwerk Pedaal-Hoofdwerk Pedaal-Bovenwerk Tremulant op Hoofdwerk en Bovenwerk Samenstelling vulstemmen Mixtuur IV-V
Sequialter I-II
Tractuur - mechanisch Toonhoogte - a1 = 440 Hz Temperatuur - evenredig zwevend Manuaalomvang - C-f3 Pedaalomvang - C-d1 Windvoorziening - drie spaanbalgen Winddruk - 80 mm Plaats klaviatuur - rechterzijde hoofdkas Dankzij de Rotterdamse organist M.H. van ’t Kruys is de dispositie van het orgel, zoals die kort voor 1885 moet zijn geweest, bekend: Prestant 8’ Bourdon 16’ Holpijp 8’ Fluit 4’ Octaaf 4’ Viola di Gamba 8’ Octaaf 2’ Mixtuur II-III Trompet 8’ Aangehangen Pedaal |

